Onze Lieve Vrouw van Eiteren

eiterenIn de Nicolaasbasiliek te IJsselstein, enkele kilometers onder Utrecht, wordt het beeldje bewaard van Onze Lieve Vrouw van Eiteren. Waar in de Middeleeuwen de parochiekerk van Maria-Hemelvaart stond, rest nu slechts een deel van de funderingen. Deze locatie, inmiddels midden in een nieuwbouwwijk gelegen, maakt nog altijd onderdeel uit van de jaarlijkse processieroute van de ommedracht.

Eiteren was in de Middeleeuwen een belangrijk bedevaartsoord. De overlevering leert dat de Mariaverering aldaar begon nadat ‘in oude tijden’ mannen die een sloot hadden gegraven, een Mariabeeld hadden gevonden, zo staat te lezen in het boek ‘101 Bedevaartplaatsen in Nederland’ van Peter Jan Margry en Charles Caspers. Zij bezorgden het beeld bij de pastoor van IJsselstein, maar het keerde twee of drie maal op onverklaarbare wijze terug naar Eiteren. Uiteindelijk werd besloten het beeld daar te laten en op die locatie een Mariakapel te bouwen. Het beeld kreeg hierin een plaats. Daarna kwam er al snel van heinde en verre een grote stroom van vereerders op gang.

Witte dauw
Het slechts 22 cm hoge beeldje dateert waarschijnlijk uit tweede helft 12de-begin 13de eeuw en toont Christus op schoot bij Maria. Dit motief staat bekend als de ‘sedes sapientiae’, de zetel der wijsheid: Christus, met boek en scepter, representeert de wijsheid terwijl zijn moeder de zetel vormt. Door de eeuwen heen onderging het beeldje de nodige veranderingen, tot het in de eerste helft van de 20ste eeuw door J.H. Brom grondig werd gerestaureerd. Tijdens opgravingen aan het eind van de 20ste eeuw bleek dat de kapel van Eiteren circa 27 meter lang was en beschikte over een toren, een halfrond koor en steunberen. Inmiddels zijn de fundamenten opgemetseld, waarmee de oude kapel weer zichtbaar is gemaakt.
Volgens de legende over een Middeleeuwse Utrechtse bisschop zou deze, varend over de IJssel, bij Eiteren hebben uitgeroepen: “O, Eitersche kerkhof, o, Eitersche kerkhof, ik zal u wijden, of bij mijn leven, of bij mijn dood.” Na zijn overlijden in Holland werd zijn stoffelijk overschot teruggebracht naar Utrecht. Toen het schip langs Eiteren voer, bleef het stilliggen tegenover het kerkhof. Dit was als enige plek in de omgeving bedekt met een witte dauw. Pas toen deze dauw – door sommigen verklaard als teken van postume zegening – verdwenen was, kon het schip verder varen. Deze gebeurtenis zou de aantrekkingskracht van Eiteren hebben vergroot. Jaarlijks werd op 24 juni, het feest van Sint Jan, het Mariabeeldje in processie rondgedragen: de ommedracht.

Bijna weggegooid
De kapel van Eiteren ging verloren tijdens de Reformatie – volgens de legende werd het Mariabeeld in de IJssel gegooid, maar bleef het vervolgens drijven. Visserskinderen haalden het uit het water, waarna een voorname IJsselsteinse vrouw het drie jaar verborgen hield in de zoom van haar rok. Later stelde zij het beeldje op in haar huis, dat daarop als schuilkerk werd gebruikt.
In de loop van de 19de eeuw verdween de devotie rond het beeldje; rond 1860 verkeerde het bovendien in zo’n slechte staat, dat de toenmalige pastoor het beeldje bijna had weggegooid. Dat dit niet is gebeurd, is te danken aan de Utrechtse priester Van Heukelum, secretaris van de aartsbisschop en in die periode bezig met de oprichting van het Aartsbisschoppelijk Museum. Het beeldje werd in bruikleen gegeven aan het museum. Vervolgens kregen de Utrechtse Zusters van Liefde het enige tijd in bruikleen. Dit luidde een nieuwe periode van wonderen en daaraan gekoppelde verering in. In 1936 keerde het beeldje uiteindelijk terug naar IJsselstein. De processie rond 24 juni werd in ere hersteld, en ook nu nog trekt deze ommedracht jaarlijks vanuit de St. Nicolaasbasiliek over Eiteren en terug.

Agenda

    Geen berichten over deze bedevaart gevonden.