Kardinaal Eijk legt krans bij herdenking Erehof op 4 mei

Bij gelegenheid van de nationale dodenherdenking op 4 mei legde kardinaal Eijk een krans op Het Erehof van de Utrechtse begraafplaats St. Barbara. Ook locoburgemeester Voortman van Utrecht en vertegenwoordigers van enkele organisaties legden een krans. Ook dit jaar werden de namen uitgesproken van de vijftig gevallenen die in de oorlogsgraven op Het Erehof begraven liggen: militairen, verzetsstrijders, dwangarbeiders en represailleslachtoffers uit of rond de stad Utrecht. Dhr. Willem Spee deelde het verhaal van zijn opa Petrus Gerardus Spee, die niet begraven ligt op Het Erehof maar wiens naam is gebeiteld in het monument voor leden van de Katholieke Arbeidersbeweging (KAB) dat schuin achter Het Erehof staat.


In zijn woord van welkom vertelde de heer Van Geloven van het organisatiecomité dat deze KAB-gedenkplaats 21 namen bevat. Dhr. Spee noemde vervolgens zijn opa een “echte aanhanger van de katholieke sociale leer” met de encyclieken ‘Rerum novarum’ van paus Leo XIII en ‘Quadragesimo anno’ van paus Pius XI. Spee: “Na de oorlog werd in ons gezin nooit over de oorlogstijd gesproken. Al snel kwam de focus te liggen op de koloniale oorlog in Indonesië, waar mijn vader aan moest deelnemen. Na zijn terugkomst in 1950 brak de tijd van de wederopbouw aan en verdween de nare oorlogstijd geheel op de achtergrond. Pas enkele jaren geleden kreeg ik de behoefte er toch meer over te weten te komen, met name om iets vast te leggen voor mijn kinderen en kleinkinderen. In mijn research voor het boek dat ik over mijn opa en de familie Rechter heb geschreven, kwam ik een flink aantal ingezonden brieven van opa uit de jaren twintig en dertig tegen, vrijwel allemaal over de sociale kwestie, over de strijd voor een goede behandeling en een goede beloning van de arbeider.”
De aan de Gildstraat wonende familie Spee nam in de Tweede Wereldoorlog, medio 1943, het Joodse gezin Rechter uit de Frans Halsstraat in onderduik: vader Mechel, moeder Esther en zoon Bernard. “Ik ga er van uit dat zijn sociale en activistische inborst mijn opa daartoe hebben gebracht,” aldus Spee. Het gezin Rechter was gevlucht uit Oostenrijk en had hier vanaf de jaren twintig een bestaan opgebouwd in de financiële sector. Spee: “De familie Rechter werd in 1943 gedeporteerd, samen met de ouders van Esther, en allen vonden vrijwel onmiddellijk de dood in de vernietigingskampen. Mechel, Esther en Bernard waren respectievelijk 45, 43 en 16 jaar oud. Hun namen staan op het Joods monument bij het Spoorwegmuseum aan de Maliebaan.”
Na zijn arrestatie werd Petrus Gerardus Spee uiteindelijk in Kamp Vught te werk gesteld bij het Philips-commando, “de Philips-fabriek binnen de poorten” aldus Willem Spee – in relatief goede omstandigheden, mogelijk dankzij zijn vakbondscontacten. Vervolgens kwam hij echter in kamp Dachau terecht waar hij in een subkamp aan het werk werd gezet. Bij terugkeer in kamp Dachau was hij zo verzwakt dat hij in februari 1945 is gestorven. Spee noemde de aanwezigheid van zijn kinderen en kleinkinderen vandaag belangrijk: zij hebben immers – in tegenstelling tot zijn eigen generatie – geen directe verbinding meer met de Tweede Wereldoorlog via ouders en grootouders, maar op hen rust wel de taak het verhaal verder te vertellen. Willem Spee over zijn opa: “We gedenken in hem een man met het hart op de goede plaats, als gezegd een in het licht van de geschiedenis kleine man die een grootse daad heeft verricht.”



Aansluitend waren de kransleggingen bij het monument en werden de vijftig namen van de slachtoffers op Het Erehof uitgesproken. Daarna was er een bloemenhulde door de nabestaanden. Bij elk graf werden één of meer bloemen gezet. Vervolgens klonk het signaal ‘Taptoe’, gevolgd door twee minuten stilte. Daarna zongen de aanwezigen het eerste en het zesde couplet van het Wilhelmus. Vervolgens droeg dichter Nanne Nauta een gedicht voor, gevolgd door een defilé langs de vijftig oorlogsgraven.

