Moral distress: parallellen tussen krijgsmacht en Caritas?

In het Titus Brandsma Huis te Deventer kwamen zaterdag 24 oktober bestuurs- en werkgroepleden van Parochiële Caritas Instellingen (PCI’en), permanente diakens en diaconaal assistenten uit het Aartsbisdom Utrecht samen voor de jaarlijkse ontmoetings- en studiedag. Krijgsmachtaalmoezenier dr. Sanneke Brouwers verzorgde een presentatie over het thema ‘moral distress’. Daarnaast was er ruim gelegenheid voor ontmoeting en het uitwisselen van ervaringen.
Na de opening met gebed introduceerde diocesaan diaconaal werker Tom van Vilsteren (die eerder 20 jaar als aalmoezenier bij Defensie werkte, de laatste vijf daarvan als hoofdkrijgsmachtaalmoezenier) zijn oud-collega bij de krijgsmacht. Dr. Brouwers werkt inmiddels 18 jaar als rooms-katholiek geestelijk verzorger in de krijgsmacht en afgelopen december promoveerde ze met een onderzoek naar ervaringen van morele ambivalentie bij veteranen. Tom van Vilsteren schreef eerder dit jaar voor het bisdomblad ‘Op Tocht’ een bijdrage over dit thema, dat op deze dag werd uitgediept.
In haar promotie onderzoek zag Brouwers dat gevoelens van machteloosheid het meest gedeelde negatieve gevoel vormden onder veteranen: “Die machteloosheid is de uitdrukking van moral distress (morele nood).” Zij onderzocht welke ervaringen veteranen beschrijven als moreel spanningsvol en hoe ze dit beleven. Brouwers: “Deze gevoelens van machteloosheid zult u ook herkennen uit uw diaconale praktijk. Gemotiveerd om te helpen maar soms zitten tijd, middelen of regelgeving in de weg.”

Er is tegenwoordig meer aandacht voor het moreel vormen van militairen, vertelde zij, “al kan dit twee betekenissen hebben. Het moreel van de troepen gaat over de gevechtsbereidheid. Niet te verwarren met de morele motivatie van militairen zoals werken aan veiligheid of mensen helpen. Binnen de veteranenzorg wordt erkend dat militairen niet alleen fysiek of mentaal gewond kunnen raken, maar ook moreel. Hoewel gewetensnood al zo oud is als de oorlog is het concept moral injury, morele verwonding, dat hiervoor gebruikt wordt door zowel wetenschappers, zorgverleners als veteranen relatief nieuw.”
Het kenmerkende van de militaire rol is dat daarin weinig individuele ruimte is, “militairen moeten doen wat hen wordt opgedragen. Ook al heeft iemand daar persoonlijk moeite mee. Zo kan een rolconflict ontstaan tussen de persoonlijke en de militaire rol. Maar ook binnen de professionele rol. Bijvoorbeeld wanneer van militairen wordt verwacht dat zij tegelijkertijd strijder, diplomaat en opbouwwerker zijn. Wanneer rollen elkaar tegenspreken of zelfs uitsluiten ontstaan rolconflicten die impact hebben op de persoon.”
Morele uitdagingen horen bij het leven, daar kunnen we mee omgaan. Bij morele nood (‘distress’) weten we wel wat juist is maar kunnen we daar door omstandigheden niet naar handelen. Morele verwonding komt minder vaak voor maar hierbij raakt iemand daadwerkelijk beschadigd door dingen die hij heeft gedaan, nagelaten of gezien die ingaan tegen diep gewortelde persoonlijke waarden.
Als kernsymptomen bij moral injury worden genoemd: gevoelens van schuld, schaamte, verraad, verlies van hoop/vertrouwen/geloof, verlies van betekenis, en zelfveroordeling, zo legde Brouwers uit. “Militairen krijgen vanwege de context van hun werk, in situaties van dreiging en conflict, maar ook door de militaire rol met beperkte handelingsruimte te maken met complexe morele dilemma’s waarbij ze niet kunnen doen wat ze moreel gezien zouden willen. Dit leidt tot moral distress of zelfs moral injury. Wanneer de militair in een situatie komt waarbij hij iets moet doen of laten waar hij niet achter staat, heeft dit gevolgen voor de identiteit,” zo stelde ze.
Daar ging ze verder op in door het begrip identiteitsopbouw uit te werken. Identiteit wordt opgebouwd door te handelen – en handelen is moreel gemotiveerd. De militaire rol is daarbij heel bepalend voor iemands zelfbeeld. Maar het beperkt handelingsperspectief van de militaire rol kan leiden tot moral distress en een gefaalde identiteitsopbouw. Iemand kan wat hij heeft gedaan niet meer in overeenstemming brengen met wie hij is.

Behalve rolconflicten gaven de interviews volgens Brouwers tevens inzicht in rol strategieën die laten zien hoe veteranen hun moral distress hanteren. Belangrijk hierbij zijn handelingsruimte en erkenning. Door bijvoorbeeld binnen de beperkte handelingsruimte die een militair heeft een bevel anders in te vullen, doet hij iets dat beter past bij wie hij wil zijn. Belangrijk om moral distress te hanteren is daarnaast sociale erkenning, wat overigens niet hetzelfde is als waardering. Brouwers: “Zoals een veteraan zegt: ‘Ik kan ermee leven als mensen niet achter de missie staan, maar wel achter de militair’.”
Brouwers keek in haar proefschrift ook naar de morele levensovertuiging of de religieuze dimensie van het moreel handelen. Tot slot vertelde ze over de levensovertuiging van de geïnterviewde veteranen: “Ongeveer de helft van de groep had niks met geloof en de andere helft was religieus of ging uit van iets transcendents. Dat laatste vind ik ook passen bij militairen. Zij maken veel gebruik van intuïtie, een onderbuikgevoel, het hogere en letten op voortekenen. Zij moeten zich laten sturen door de krijgsmacht en dat vraagt overgave.”
Lees hier de volledige presentatie van dr. Sanneke Brouwers
Vragenrondje
De inleiding van Brouwers maakte de nodige reacties en vragen los bij de deelnemers. Zo vertelde iemand dat Brouwers’ verhaal herinneringen opriep aan de periode waarin ze levensbeschouwing doceerde in het middelbaar onderwijs en er jaarlijks een veteraan te gast was in de klas. Iemand anders vroeg naar de opbouw van morele nood naar morele verwonding: komt dat laatste ook voor bij actieve militairen of openbaart zich dat pas na uitdiensttreding? Dr. Brouwers antwoordde dat het allebei kan, bijvoorbeeld bij een opeenstapeling van ervaringen. Binnen de militaire context kunnen mensen het wel vaak beter ‘handelen’ dan wanneer ze uit dienst zijn: er is sprake van een ander waardenkompas, waardoor de impact van een gebeurtenis soms pas duidelijk wordt na het delen van een ervaring met burgers.
Eén van de deelnemers vroeg naar de impact van AI en drones. Brouwers is blij dat de paus zich daar ook over uitgesproken heeft en noemde AI een grote bron van zorg die al begint bij de ontmenselijking van de vijand. “Hoe brengen we mensen in kaart: als een nummer, een slachtoffer, een vijand, …? AI is een heel angstig eindpunt.” Een andere vraag ging over of je überhaupt militair kunt zijn als je gelovig bent – je moet immers mogelijk iemand doden. Dat is hét dilemma van de militair, zo reageerde Brouwers, en wat het beroep zo complex en beladen maakt. Eén van de laatste vragen was hoe je als aalmoezenier omgaat met je eigen moral distress. Daarbij noemde Brouwers bijeenkomsten als deze belangrijk, waar ze haar ervaringen kan delen, maar ook het contact met collega’s, naar de kerk gaan en bijvoorbeeld aan militairen met wie ze in gesprek is, vragen: zullen we samen bidden?

Werkgroepen
Na de koffiepauze gingen de deelnemers in werkgroepjes uiteen om na te denken over in hoeverre zij kunnen leren van Sanneke Brouwers’ verhaal. Ook werd hun gevraagd morele ervaringen uit te wisselen en daarbij rolconflicten te benoemen: ‘als persoon wilde ik dit, maar in mijn rol voor de Caritas ging dat niet (wegens geld, regelgeving, et cetera) en dat ervoer ik als …’. Daarop volgde een plenaire terugkoppeling, waarbij dr. Brouwers ook weer reageerde op de input vanuit de werkgroepen.
Vanuit één van groepen werd gedeeld dat hun werk moreel lastig kan zijn: het is bekend dat er veel armoede achter de voordeur is, maar hoe bereik je die mensen? Iemand anders vertelde “wij doen alleen materiële hulp, geen geestelijke. Wij zijn als werkgroepleden ook anoniem voor de hulpvragers.” Op deze manier vergroten zij volgens Brouwers de afstand waardoor ze het morele dilemma weglaten om hulp te kunnen geven. Meerdere keren kwam het dilemma naar voren van de afspraak om elke hulpvrager ‘slechts’ één keer te helpen, maar dat daarmee diens situatie niet is opgelost. Maar ook de keerzijde: niet óf maar dát je op een keer zal worden beetgenomen door een hulpvrager…
Bij zijn dankwoord aan dr. Brouwers overhandigde mgr. Hoogenboom haar een exemplaar van de exhortatie Dilexi te van paus Leo XIV – deze kregen alle deelnemers.

Update diocesaan diaconaal werker
Het middagprogramma begon met een update van diocesaan diaconaal werker Tom van Vilsteren. Hij vertelde ernaar te streven jaarlijks alle PCI-besturen te bezoeken. Werkgroepleden zien hem soms minder vaak, maar hij benadrukte nog maar eens dat zij júist ook welkom zijn bij dagen als deze en bij de PCI-cursus. Deze basiscursus Caritas is dit jaar voor het eerst in vernieuwde vorm aangeboden in Soest en Borne en gaat in november nogmaals van start in Ede.
Daarnaast vroeg hij aandacht voor de bezetting van PCI-besturen. “Daar hoeven we niet ontevreden over te zijn,” aldus Van Vilsteren, maar helaas komt er ook ondertalligheid voor.
Vervolgens vertelde hij kort over de werkzaamheden van het Officium Caritatis, waarin alle Nederlandse bisdommen zijn vertegenwoordigd. Tot slot noemde hij zijn aanstaande pensionering: “Ik zal niet bij de volgende ontmoetingsdag zijn, hopelijk staat hier dan mijn opvolger! Dus: weet u iemand? Van harte uitgenodigd om hierover met ons in gesprek te gaan!”
Ervaringen uitwisselen
Vervolgens werden er plenair diaconale ervaringen uitgewisseld. Vanuit de St. Jorisparochie, waar vorig jaar een project was rond het verstrekken van led-lampen, werd genoemd dat er dit jaar in het kader van de stijgende energieprijzen een groot project komt rond het verstrekken van warme dekens. Een deelnemer uit Tiel vertelde dat men daar vorig jaar met een aantal hulpinstanties om tafel heeft gezeten, waarna in overleg met de nachtopvang werd besloten om aan daklozen een rugzak met thermo onderkleding, sokken, een fleece deken et cetera te verstrekken. Een gerichte actie met een goede timing: “in de weken erna werd het stervenskoud,” zo zei hij.
Ook werden er vragen gesteld, zoals of er een lijst te vinden is op de website van het aartsbisdom met voorbeeldprojecten. Van Vilsteren: “Die is er op zich, maar komt bij gebrek aan input helaas niet goed uit de verf. Het is mijn wens dat PCI’en daar meer informatie voor aanreiken.”
Het Ariënscomité
Hierna kreeg Hub Crijns het woord, de vicevoorzitter van het Ariënscomité dat ijvert voor de zaligverklaring van priester Alphons Ariëns. Hij vertelde over de gestage vorderingen in dit proces en blikte alvast vooruit op 2028: dan is het 100 jaar geleden dat Ariëns overleed én wordt er een nieuwe editie van de Ariëns Prijs voor Diaconie georganiseerd.
Evaluatie
Waar dr. Brouwers aan het begin van haar presentatie de hoop had uitgesproken dat haar bijdrage herkenbaarheid zou oproepen, werd dit bevestigd in de evaluatieronde tot besluit van de dag. Een deelnemer noemde het “prettig dat er een inhoudelijk goed verhaal was. Op het eerste gezicht meende ik dat er weinig verband zou zijn tussen haar presentatie en wat wij als vrijwilligers meemaken en doen, maar dat bleek toch anders!” Een andere deelnemer noemde “de sessie vanmorgen inspiratievol en nuttig.”
Vervolgens sloot mgr. Hoogenboom de dag af met gebed – de tekst daarvan wordt, net als die van het gebed voor de lunch, van harte aanbevolen voor gebruik in de diaconale praktijk. Beide teksten zijn terug te vinden op de Diaconie-pagina van aartsbisdom.nl, onder het kopje ‘Mededeling DDW juni 2026’.